Info veldslag
- Ieper, Zonnebeke en omgeving
- Eerste Wereldoorlog (1914-1918)
|
Duitsland
|
|
|---|---|---|
| Troepensterkte |
|
ca. 84 divisies
|
| Slachtoffers |
|
ca. 40.858 doden
|
| Legerleiders |
|
|
Synopsis
In 1916 koos het Duitse opperbevel voor een offensieve strategie aan het oostfront en een verdediging in de diepte aan het westfront. Dat betekende dat hun frontlinies dunbemand werden, met daarachter meerdere versterkte linies die de meest strategische landschapselementen met elkaar verbonden.
In 1916 en 1917 legden de Duitsers in Vlaanderen vijf verdedigingslinies aan: de Albrecht-Stellung, Wilhelm-Stellung en de Flandern I-, II- en III-Stellungen. Eind 1917 begonnen de voorbereidingen voor een Flandern-IV-Stellung, die slechts gedeeltelijk werd uitgevoerd. Een geplande Flandern-V-Stellung bleef grotendeels dode letter. Toch hoopte het Britse legercommando in 1917 om hier door te breken.
Het plan van Brits opperbevelhebber veldmaarschalk Douglas Haig was ambitieus: de inname van de heuvelrug Mesen-Wijtschate zou voor een veilige zuidflank zorgen, gevolgd door een grootschalige aanval op de hoogtes ten oosten van Ieper. Daarna zou een opmars naar Roeselare, Torhout en de Vlaamse zeehavens volgen.
De Britten vormden de kern van de troepen, gesteund door Fransen in het noorden. De Belgen stonden klaar om mee op te rukken naar de kust, zodra de ganse heuvelrug veilig was. Het plan focuste op de eigen slagkracht, maar hield, net zoals bij het offensief aan de Somme, weinig rekening met de Duitse verdediging.
Het succes van de Mijnenslag op 7 juni 1917 zorgde ervoor dat Haig zijn plan mocht uitvoeren. De leiding gaf hij aan zijn vertrouweling, cavalerieofficier generaal Hubert Gough.
(James Edmonds, Official History of the Great War – via Passchendaele Museum)
Met gigantische artilleriebeschietingen voorafgaand aan het offensief probeerden de geallieerden de Duitse posities te vernietigen. Alleen al in de twee weken voor de aanval vuurden ze 4,2 miljoen granaten op hun stellingen af, maar het verzwakte de Duitse verdediging nauwelijks.
De Slag bij Passendale (ook de Derde Slag bij Ieper genoemd) verliep volgens de geallieerden in drie grote fasen met een veelheid aan deelslagen. Immense logistieke voorbereidingen en monsterlijke beschietingen gingen iedere fase vooraf.
Eerste fase: 31 juli – 16 augustus 1917
Op 31 juli 1917 begon wat wij nu kennen als de Slag bij Passendale. De temperatuur haalde nauwelijks 20°C. Wolken hingen laag over het desolate land, zwaar van de regen. Niet de ideale weersomstandigheden om een allesbeslissend offensief te lanceren.
Fransen, Britten, Australiërs en Nieuw-Zeelanders vielen over een breed front aan, zonder een doorbraak te forceren. De Wilhelm-Stellung, de tweede Duitse versterkte lijn, en het Geluveld-plateau, een strategische hoogte op de geallieerde rechterflank, vielen niet zoals gepland op de eerste dag.
Tot overmaat van ramp begon het te regenen en drongen Duitse tegenaanvallen de geallieerden terug. Door de aanhoudende regen kwamen mensen, machines en dieren allemaal vast te zitten in het slijk. De eerste dag was meteen de bloedigste, met bijna 9.000 gesneuvelden.
Toch werd er terrein gewonnen. Naast de Duitse frontlinie was een groot deel van de Albrecht-Stellung, de eerste versterkte Duitse linie, ingenomen. Desondanks doken er problemen op. Doordat de Duitse vuurbasis op het Geluveld-plateau niet ingenomen was, keken de Duitsers vanop die hoogte recht in de Britse linies. Herhaalde pogingen om het plateau in augustus te bestormen, mislukten.
(Ministère de la Culture – via Passchendaele Museum)
Het kapotgeschoten operatiegebied in combinatie met een druilerige zomer en flexibele Duitse weerstand zorgden ervoor dat het offensief stagneerde.
Halverwege augustus waren de doelen van de eerste dag niet bereikt. Generaal Gough moest wijken. Daarmee eindigde de eerste fase van het offensief.
Tweede fase: 20 september – 12 oktober 1917
Op 20 september 1917, na een onderbreking van een maand, hervatte het offensief in Vlaanderen met de Slag bij de Meenseweg. Het operatiegebied was droger en het zicht was beter. Het zwaartepunt van de aanval lag langs de weg van Ieper naar Menen.
De nieuwe Britse bevelhebber, artillerieofficier generaal Herbert Plumer, plaatste Nieuw-Zeelanders, Australiërs en Zuid-Afrikanen in de speerpunt van de aanval. In plaats van doelen diep in Duits gebied te plaatsen, werden kleinere objectieven vooropgesteld. Krachtige, efficiënte beschietingen gingen beperkte, gerichte aanvallen vooraf. Weerstandsnesten werden omsingeld en uitgeschakeld. Minimale terreinwinsten werden onmiddellijk geconsolideerd met verdedigingen in de diepte.
De beperkte operaties duurden slechts een paar uur. De Duitsers liepen achter de feiten aan en hadden nauwelijks tijd om tegenaanvallen te lanceren.
Na de Slag bij de Meenseweg lagen de geallieerden eindelijk op het Geluveld-plateau en voor de derde versterkte Duitse verdedigingslijn, de Flandern-I-Stellung.
De verliezen waren enorm. Van 20 tot 25 september verloren meer dan 8.000 geallieerden en bijna 4.000 Duitsers het leven. Bovendien zou het dorp Geluveld Duits blijven. Van daaruit konden de Duitsers de geallieerde flanken te allen tijde blijven bestoken.
Het duurbetaalde succes van de Slag bij de Meenseweg werd gevolgd door de Slag bij het Polygoonbos.
In de mistige ochtend van 26 september werd de aanval ingezet. De speerpunt van de aanval lag tussen Zonnebeke en de Meenseweg. Onder dekking van een mistdeken drongen Britse en Australische troepen door tot aan het kasteelpark van Zonnebeke. Australiërs veroverden de drogere, zanderige gronden van het Polygoonbos en bereikten de Flandern-I-Stellung. Aan beide zijden van het front liepen de slachtofferaantallen op.
(Passchendaele Museum, MZ 07212)
In de hoop hun frontlijntroepen wat ademruimte te geven, planden de Duitsers een grote tegenaanval in de ochtend van 4 oktober. Tijdens de Slag bij Broodseinde stapten ze af van hun verdediging in de diepte en plaatsten ze reservetroepen zo dicht mogelijk tegen de frontlinie.
De Duitse tegenaanval werd gefnuikt door de artilleriebarrage, die een nieuwe geallieerde aanval aankondigde. Voordat ze goed en wel hersteld waren van de zware beschietingen, werden de verraste Duitse troepen, die het spervuur overleefden, overrompeld.
Naast talloze gewonden en bijna 5.000 krijgsgevangenen sneuvelden ongeveer 3.800 Duitsers.
Tijdens de Slag bij Broodseinde hadden de Britten Poelkapelle bereikt, de Nieuw-Zeelanders ‘s Gravenstafel en Australiërs Broodseinde. In het zuiden beheersten Britse troepen bijna het hele Geluveld-plateau. Het geallieerde succes werd breed uitgesmeerd. Maar er vielen ook kanttekeningen te plaatsen.
Op 4 oktober telden de geallieerden ongeveer 20.000 slachtoffers, waaronder meer dan 4.800 doden.
(Australian War Memorial, E01279 – via Passchendaele Museum)
Na de geallieerde inname van de strategische hoogten bij Broodseinde liepen nieuwe pogingen om door te stoten op 9 en 12 oktober uit op een ramp.
Kapotgeschoten irrigatiekanalen in combinatie met enkele herfstbuien veranderden het operatieterrein opnieuw in een moeras. Artillerie, versterkingen en voorraden, die met de infanterie mee vooruit moesten, bleven steken in het slijk. Zonder voldoende artillerieondersteuning mislukten verdere aanvallen voor Passendale.
Om het gebrek aan terreinwinst op 9 oktober goed te maken, liet Plumer zijn stapsgewijze tactiek varen op 12 oktober. Het resultaat was het debacle dat de Eerste Slag bij Passendale gedoopt werd.
Derde fase: 26 oktober – 10 november
Ondanks de zware verliezen en de onmogelijke doorbraak, bleef het Britse opperbevel geloven in succes.
De aanvallen concentreerden zich steeds meer op de strategische heuvelrug bij Passendale. Canadezen vervingen Australische en Nieuw-Zeelandse troepen om die hoogtes te bestormen. De Canadezen konden niet weigeren, maar eisten tijd om zich voor te bereiden, extra artillerie aan te voeren en nieuwe aanvoerlijnen op te zetten.
Op 26 oktober 1917 braakte de geallieerde artillerie haar dodelijke lading uit. Terwijl de verdedigers zich terugtrokken in hun schuilplaatsen, rukten de Canadezen op. De Ravebeek was door de vele bombardementen omgevormd tot een moeras van een kilometer breed, wat de opmars haast onmogelijk maakte.
De Canadezen namen de hoogten bij Bellevue in, een uitloper van de heuvelrug van Passendale. De Britse aanvallen op de flanken bij Poelkapelle en Geluveld liepen vast, met dramatische gevolgen.
Bijna 3.000 Britten, 570 Canadezen en meer dan 1.000 Duitsers verloren het leven.
(Wilfried Deraeve – via Passchendaele Museum)
Op 27 oktober 1917 vond in de uiterste marges van het gigantische gedrocht dat de Slag bij Passendale was, een kleine maar opmerkelijke actie plaats.
Terwijl Franse troepen hun driekleur boven Merkem hesen, Canadezen de hoogten bij Passendale op klauterden en Britten wanhopige aanvallen lanceerden op Poelkapelle en Geluveld, stak een kleine groep Belgische soldaten (Carabiniers-Wielrijders van het 2de bataljon, behorend tot de 6de Infanteriedivisie) de Ieperlee over om het gebied tussen de Ieperlee en de Blankaart te ontruimen en contact te zoeken met de Franse troepen op de flank.
De drassige lap grond was één van de eerste stukken grondgebied die de Belgen konden heroveren sinds de stabilisatie van het front eind 1914.
Zoals vermeld stond het Belgische leger klaar om het offensief te vervoegen zodra de hoogten bij Passendale waren gevallen en de verbinding tussen de heuvelrug en het Houthulstbos was doorsneden. Het was de bedoeling om vervolgens in groten getale richting de hoogten van Klerken op te rukken en Diksmuide te ontzetten, een streven dat uiteindelijk door het falen van de geallieerden dode letter bleef. Niettemin ondersteunden de Belgen het offensief met artillerie en luchtsteun.
Hoewel de operatie van 27 oktober niet meer dan een voetnoot is in de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, was ze niet geheel onbelangrijk. Ze toont aan dat het Belgische leger en de artillerie actief de Franse inspanningen op hun rechterflank ondersteunden.
De actie bewijst dat de Belgen een bijdrage leverden aan het kluwen dat later Passendale werd genoemd. Bovendien zou de operatie op de noordelijke flank één van de laatste gezamenlijke Frans-Belgische inspanningen van het offensief blijken.
Op 30 oktober hervatten de Canadezen de aanval. Crest Farm, een Duits bolwerk juist voor de dorpskom van Passendale, viel. De verdedigers wendden zich tot de artillerie: barrage na barrage beukte in op de Canadezen. De verliezen waren opnieuw groot: ongeveer 900 Britten, 900 Duitsers en 850 Canadezen sneuvelden.
Op 6 november 1917 lanceerden de Canadezen hun ultieme aanval op Passendale. Ze veroverden het dorp na een hevige strijd, maar de Duitse sluipschutters en artillerie veroorzaakten zware verliezen.
Passendale was in geallieerde handen, maar tegen een hoge prijs: 360 Britten, 700 Canadezen en 600 Duitsers kwamen om.
(Library and Archives of Canada, BAC-LAC O-2255 – via Passchendaele Museum)
Op 10 november 1917 lanceerden de Canadezen hun laatste grootschalige aanval op de heuvelrug. Ze namen posities in het noorden in, wat resulteerde in de overgave van honderden Duitse soldaten.
De Duitse artillerie wist echter van geen ophouden. Barrages rolden over de heuvelrug en veroorzaakten veel slachtoffers: ongeveer 400 Duitsers en evenveel Canadezen sneuvelden.
Nasleep
Volgens geallieerde bronnen eindigde op 10 november de Slag bij Passendale. Dat betekende echter niet dat de strijd ophield. Desastreuze aanvallen op de heuvelrug richting Westrozebeke en bij het Polygoonbos verdwenen in de plooien van de geschiedenis. Roeselare en Torhout, laat staan de Belgische kust, waren nog ver weg.
De geallieerden behaalden tijdens de slag nooit het numerieke overwicht dat als noodzakelijk werd geacht voor een doorbraak. Normaal gold een verhouding van minstens drie tegen één, maar de Anglo-Franse troepen begonnen het offensief met slechts twee tegen één. Uiteindelijk strandde het offensief door het druilerige weer en de flexibele Duitse verdediging in de opeenvolgende stellingen.
De geallieerden hadden hun goed uitgebouwde posities ingeruild voor een verbrijzelde, kleinere uitstulping waar alles opnieuw moest worden aangelegd. Het veroverde terrein was veranderd in een maanlandschap en de terreinwinst van slechts acht kilometer werd duur betaald: naar schatting vielen er in totaal 600.000 slachtoffers, van wie meer dan 125.000 doden.
Een strenge winter verhinderde verdere operaties. Tot overmaat van ramp vielen de Britten in het voorjaar van 1918 terug op Ieper. Al het terrein waar in 1917 zo hard voor was gevochten, ging in enkele dagen verloren. Al die dood en vernietiging had geen enkel doel gediend.
Auteur: Simon Augustyn (Passchendaele Museum)
Literatuur
- AUGUSTYN Simon, “De Belgen roeren zich. De inname van het schiereiland van Luigem in 1917.”, in: Passchendaele Magazine, Vol. 10, no. 2 (2024): pp. 4-12.
- AUGUSTYN Simon en MELSENS Margot, Passchendaele Museum : bezoekersgids, Zonnebeke: Memorial Museum Passchendaele 1917, 2025, 134 p.
- BOSTYN Franky, “De Derde Slag bij Ieper (juni-november 1917)”, in: DE VOS Luc, et al., 14-18: Oorlog in België, Leuven: Davidsfonds, 2014.
- BOURLET M., La 1re Armée Française dans la 3e bataille d’Ypres, Guer : Écoles de Saint-Cyr Coëtquidan, 2000.
- COOK T., Shock Troops: Canadians fighting the Great War 1917-1918, Volume II, Toronto: Penguin Canada, 2008, 736 p.
- DELVERT C., Les opérations de la 1re armée dans les Flandres (juillet-novembre 1917), Parijs: L. Fournier, 1920, 213 p.
- EDMONDS J. “Military operations : France and Belgium, 1917”, in: Official History of the Great War, Uckfield: The Naval & Military Press Ltd, 2010, 489 p.
- LLOYD N., Passendale: Ieper 1917, Amsterdam: Hollands Diep, 2017, 503 p.
- McCARTHY C., Passchendaele: The Day-by-Day Account, Londen: Unicorn Publishing, 2018, 181 p.
- PHILPOTT William, “Britain and France Go to War: Anglo-French Relations on the Western Front 1914–1918.”, in: War in History 2, no. 1 (1995): pp. 43–64.
- PRIOR R. en WILSON T., Passchendaele : the untold story, Londen: Yale University Press, 2002, 237 p.
- SHELDON J., The German Army at Passchendaele, Barnsley: Pen & Sword, 2007, 336 p.
- Slachtofferaantallen: In Flanders Fields Museum, (s.d.), de Namenlijst
- VANCOILLIE J., Bouwen aan het front. Loopgraven, schuilplaatsen en betonbunkers van het Duitse leger aan het Ieperfront 1914-1918, Zonnebeke: Memorial Museum Passchendaele 1917, 2016, 336 p.